Advocaat Tim Van Cauter

Advocaat Waregem: Tim Van Cauter


De noodzaak van een archeologienota bij ingrepen in de bodem: vanaf 1 april 2019 moet er in het kader van de vergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen nog enkel worden rekening gehouden met vergunningsplichtige ingrepen!

- December 2018 -
Sedert enkele jaren moet de bouwheer voorafgaand aan de indiening van zijn vergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen, die een ingreep in de bodem teweegbrengen, nagaan of hij geen archeologisch vooronderzoek moet laten uitvoeren. Voor de aanvragen die de bouwheer vanaf 1 april 2019 indient, zal hij enkel nog rekening moeten houden met bodemingrepen die vergunningsplichtig zijn.

 

 De archeologienota. Voorafgaand aan het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet de bouwheer in bepaalde gevallen een archeologienota laten opstellen[1]. Deze archeologienota is het geschreven resultaat van het archeologisch vooronderzoek dat wordt uitgevoerd m.b.t. het perceel of percelen grond waarop de voorgenomen stedenbouwkundige handelingen zullen worden gesteld. De archeologienota moet worden opgemaakt door een erkend archeoloog. Deze archeologienota dient vervolgens te worden toegevoegd aan de vergunningsaanvraag op straffe van onontvankelijkheid van deze aanvraag. De kost voor de opmaak van de archeologienota wordt gedragen door de bouwheer. Het is derhalve belangrijk als bouwheer te weten in welke gevallen de opmaak van een archeologienota vereist is.

Noodzaak tot opmaak van een archeologienota. Of je als bouwheer verplicht bent een archeologienota toe te voegen aan de vergunningsaanvraag is onder meer afhankelijk van[2]: i) de totale oppervlakte van de betrokken percelen; ii) de oppervlakte van de geplande bodemingrepen; iii) de ruimtelijke bestemming van het terrein en iv) de ligging van de betrokken percelen[3]. Voor de praktijk belangrijk is de vergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen waarbij het perceel of percelen volledig gelegen zijn buiten archeologische zones, maar waarbij de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem 1000m² of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000m² of meer bedraagt[4].

De bodemingreep. Niet elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen geeft aanleiding tot de verplichte opmaak van een archeologienota ook al heeft de aanvraag betrekking op een groter perceel ( ≥ 3.000m²). Indien het betrokken perceel zich buiten een archeologische zone[5] bevindt, is dit slechts het geval indien de bouwheer voornemens is om een bodemingreep uit te voeren waarvan de totale oppervlakte 1000m² of meer beslaat. Onder bodemingreep wordt begrepen elke wijziging van de eigenschappen van de ondergrond door verwijdering of toevoeging van materie, verhoging of verlaging van de grondwatertafel, of samendrukken van materialen waaruit de ondergrond bestaat.[6] In casu kan er sprake zijn van een bodemingreep door het plaatsen van constructies, al dan niet ondergronds, maar ook door het louter afgraven van grond.

Vanaf 1 april 2019 nog enkel rekening houden met vergunningsplichtige bodemingrepen. Voor zover het Onroerenderfgoeddecreet de oppervlakte van de ingreep in de bodem als referentie gebruikt voor verplichtingen en vrijstellingen inzake archeologisch onderzoek, moet vanaf 1 april 2019 voor het bepalen van deze oppervlakte enkel nog de vergunningsplichtinge ingrepen in aanmerking worden genomen[7]. Wat een vergunningsplichtige bodemingreep vormt en derhalve welke bodemingrepen mee in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling of de voormelde oppervlaktedrempel van 1000m² wordt bereikt (zodanig dat men verplicht een archeologienota dient op te maken) moet worden beoordeeld overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en diens uitvoeringsbesluiten[8]. Het gewijzigde Onroerenderfgoeddecreet en -besluit verschaffen hierover geen duidelijkheid.

Evaluatie. Vanaf 1 april 2019 zullen minder bouwheren verplicht zijn om een archeologienota aan hun omgevingsvergunningsaanvraag toe te voegen. Dit zal over het algemeen het vergunningstraject lichter en goedkoper maken, op voorwaarde dat er tussen bouwheer en vergunningsverlenende overheid niet meer dan vroeger onenigheid ontstaat welke stedenbouwkundige handelingen een (vergunningsplichtige) bodemingreep teweegbrengen.

 

[1] Zie art. 5.4.8 van het Vlaams decreet van 12 juli 2013 betreffende het Onroerend Erfgoed (hierna het ‘Onroerenderfgoeddecreet) en art. 5.4.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet (hierna ‘het Onroerenderfgoedbesluit’).

[2] Agentschap Onroerend Erfgoed, Archeologieregelgeving voor bouwheren, verkavelaars en ontwikkelaars,

[3] Zijnde binnen of buiten een archeologische zone uit de vastgestelde inventaris, zijnde binnen of buiten een gebied waar geen archeologie te verwachten valt en zijnde binnen of buiten een beschermde archeologische site.

[4] Art. 5.4.1, 3° OED. Rechtsleer neemt aan dat met de totale oppervlakte van de percelen de oppervlakte wordt bedoeld van het perceel of de percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft (VANDENHENDE, L., VAN HOORICK, G., VERHELST, A. en VANSANT, P., Zakboekje Onroerend Erfgoed 2018, Mechelen, Kluwer, 2018, 299.

[5] De overgrote meerderheid van de percelen in Vlaanderen liggen buiten een archeologische zone (zie https://geo.onroerenderfgoed.be). Archeologische zones bevinden zich voorlopig voornamelijk in historische stadskernen.

[6] Memorie van toelichting bij het Ontwerp van Decreet betreffende het Onroerend Erfgoed, Parl. St. Vl. Parl. 2012-2013, nr. 1901/1, 42.Met ingang van 1 april 2019 wordt deze definitie van bodemingreep uitdrukkelijk opgenomen in het Onroerenderfgoeddecreet.

[7] Dit ingevolge het decreet van 13 juli 2018 houdende wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie, BS 27 augustus 2018 en het besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 houdende de wijziging van onder meer het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, BS 27 december 2018.

[8] Relevante uitvoeringsbesluiten in dit verband zijn i) het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is, BS 10 september 2010 en ii) het besluit van Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, BS 10 september 2010.

 

 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

  • overheidsopdrachtenrecht
  • privaat aannemingsrecht
  • vastgoedrecht
  • vastgoedfiscaliteit
  • Ik heb de privacyverklaring gelezen en aanvaard