Advocaat Tim Van Cauter

Advocaat Waregem: Tim Van Cauter


De kosteloze terbeschikkingstelling van een woning door een rechtspersoon aan haar bedrijfsleider: toch aangewezen om verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen?

- Februari 2019 -
De kosteloze terbeschikkingstelling van een woning door een rechtspersoon aan haar bedrijfsleider blijft fiscaal voor beroering zorgen. Het ongrondwettelijk bevonden koninklijk besluit werd intussen aangepast, maar hierdoor zijn niet alle discussies uit het verleden opgelost.

Voordeel van alle aard. Wanneer een bedrijfsleider kan beschikken over een onroerend goed voor zijn privé-behoeften, wordt dit als een voordeel van alle aard in zijn hoofde belast. Dit voordeel van alle aard wordt door artikel 18 § 3, 2 van het KB WIB forfaitair vastgesteld[1].

Schending van het gelijkheidsbeginsel. De forfaitaire raming van dit voordeel van alle aard maakte een onderscheid naargelang het onroerend goed door een rechtspersoon (bvb. vennootschap) dan wel door een natuurlijke persoon (in het kader van zijn éénmanszaak) werd ter beschikking gesteld. Algemeen werd het voordeel forfaitair geraamd op 100/60 van het (geïndexeerd) kadastraal inkomen, maar bij een terbeschikkingstelling door een rechtspersoon moest het voordeel worden verhoogd met een factor 1,25 wanneer het KI maximaal 745 EUR bedroeg en 3,8 wanneer het KI van het betrokken onroerend goed hoger lag.

De Hoven van Beroep van Antwerpen en Gent oordeelden in de periode 2016-2018 evenwel meermaals dat dit onderscheid in berekeningswijze, naargelang de status van de persoon die het onroerend goed ter beschikking stelt, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt[2].

Huidige regeling. Met ingang van 1 januari 2019 werd het KB WIB aangepast[3] en wordt het voordeel van alle aard van een gebouwd onroerend goed thans steeds forfaitair vastgesteld op 100/60 van het KI, vermenigvuldigd met 2, ongeacht of dit onroerend goed door een natuurlijke persoon of door een rechtspersoon aan zijn bedrijfsleider ter beschikking wordt gesteld.

Rechtzetting middels bezwaarschrift wordt door de Administratie aanvaard. Voor wie in het verleden op basis van het ongrondwettelijk bevonden artikel 18 § 3, 2 van het KB WIB een te hoog voordeel van alle aard heeft aangegeven, kan dit worden rechtgezet via een bezwaarschrift. Dit wordt door de Administratie uitdrukkelijk aanvaard[4]. Een bezwaarschrift moet op straffe van verval evenwel worden ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet[5] zodat heden in concreto allicht de aanslagen voor het inkomstenjaar 2017 en 2018 nog middels bezwaarschrift kunnen worden rechtgezet.

Rechtzetting middels ambtshalve ontheffing wordt door de Administratie niet aanvaard. Een ambtshalve ontheffing is daarentegen mogelijk tot vijf jaar na 1 januari van het aanslagjaar zodat heden in beginsel rechtzetting zou kunnen worden verzocht voor de inkomsten aangegeven vanaf het inkomstenjaar 2014. Een rechtzetting middels ambtshalve ontheffing wordt door de Administratie echter niet aanvaard. Een ambtshalve ontheffing is slechts mogelijk voor specifiek in de wet omschreven gevallen, zoals in geval van overbelasting welke zou blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten. Overeenkomstig art. 376 § 2 WIB wordt een wijziging van jurisprudentie uitdrukkelijk als nieuw feit uitgesloten.

De fiscale rechtbank van Gent oordeelt evenwel anders. De fiscale rechtbank van Gent meent in zijn vonnis van 31 januari 2019 dat de arresten van de Hoven van Antwerpen en Gent, die het artikel 18 § 3, 2 KB WIB ongrondwettig hebben bevonden, echter niet zonder meer met een wijziging van jurisprudentie in de zin van art. 376 § 2 WIB kan worden gelijkgesteld[6].

Ter motivering van haar standpunt verwijst de fiscale rechtbank van Gent naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van 8 november 2006[7]. In dit arrest had het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 376 § 2 WIB het gelijkheidsbeginsel schendt indien dit artikel in die zin wordt geïnterpreteerd dat het directeur der belastingen verbiedt ambtshalve ontheffing te verlenen van een overbelasting die zou blijken uit een arrest van het Grondwettelijk Hof waarmee, in antwoord op een prejuciële vraag, wordt geoordeeld dat een wetsbepaling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

Standpunt. In afwachting van meer duidelijkheid door de hogere rechtspraak kan het o.i. aangewezen zijn om alle rechten voor te behouden door een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen of een negatieve beslissing omtrent een ambtshalve ontheffing voor de rechtbank aan te vechten.

 

[1] D.i. het Koninklijk Besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.

[2] Zie Gent 20 februari 2018, nr. 2015/AR/1235, RABG 2018, afl. 10, 921; Antwerpen 24 januari 2017, Fiscoloog afl. 1509, p. 8; Gent 24 mei 2016, Fiscoloog afl. 1482, p. 12. Zie tevens onze nieuwsbrief van oktober 2017.

[3] M.n. door het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, BS 27 december 2018.

[4] Zie Circulaire 2018/C/57 van 15 mei 2018 over de forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning.

[5] Art. 371 WIB.

[6] Rb. Gent 31 januari 2019, nr. 17/3178/A. In andere zin: Rb. Antwerpen 7 februari 2018, www.fisconetplus.be.

[7] Grondwettelijk Hof 8 november 2006, nr. 160/2006. BUYSSE, C., “Ambtshalve ontheffing: arrest Arbitragehof is een ‘nieuw feit’, Fiscoloog afl. 1047, p. 1


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

  • overheidsopdrachtenrecht
  • privaat aannemingsrecht
  • vastgoedrecht
  • vastgoedfiscaliteit
  • Ik heb de privacyverklaring gelezen en aanvaard