Advocaat Tim Van Cauter

Advocaat Waregem: Tim Van Cauter


Zijn heel korte garantietermijnen voor lichte verborgen gebreken in aannemingscontracten tussen ondernemingen vanaf 1 december 2020 verboden?

- Februari 2020 -
Vanaf 1 december 2020 treedt een nieuwe wet in werking die o.m. betrekking heeft op de (on)rechtmatigheid van contractuele clausules in de b2b-relaties. Deze nieuwe wet zal allicht tot gevolg hebben dat de rechtmatigheid van garantieclausules in aannemingscontracten tussen ondernemingen sneller in vraag zal worden gesteld.

Probleemstelling. In aannemingscontracten worden soms erg korte proceduretermijnen m.b.t. lichte verborgen gebreken opgenomen, waardoor de opdrachtgever het recht verliest om zich te beroepen op de aansprakelijkheid van de aannemer voor deze gebreken na het verstrijken van de vooropgestelde proceduretermijn.

Voorbeeld: “De garantieperiode begint te lopen vanaf de plaatsing of de installatie. De opdrachtgever dient het gebrek binnen 7 dagen na de vaststelling ervan ter kennis te brengen van de aannemer. Na deze periode vervalt elk recht op garantie en is de aannemer ontslaan van elke conventionele of wettelijke aansprakelijkheid.”

Uitgangspunt. Als algemene regel geldt dat de aansprakelijkheidsvordering op grond van licht verborgen gebreken tijdig dient te worden ingesteld na de ontdekking ervan. Onder het begrip ‘tijdig’ dient te worden verstaan binnen een ‘redelijke’ of een ‘nuttige’ termijn[1]. De beoordeling van de tijdigheid van de vordering valt onder de soevereine beoordeling van de feitenrechter rekening houdend met o.m. de aard van het gebrek en het gedrag van de partijen[2].

Aannemingscontract met een consument. In aannemingscontracten met consumenten voorziet het Wetboek Economisch Recht sedert geruime tijd dat een contractueel beding als onrechtmatig moet worden beschouwd indien het een onredelijk korte termijn bepaalt om gebreken in het geleverde product aan de onderneming, in casu de aannemer, te melden[3]. Een dergelijk onrechtmatig beding is verboden en nietig[4].

Voortaan ook voor aannemingscontracten tussen ondernemingen? De nieuwe wet[5] voorziet geen identieke bepaling in de b2b-relatie. Niettemin kan een heel korte proceduretermijn, waarbinnen de vordering daadwerkelijk moet worden ingesteld nadat het verborgen gebrek werd ontdekt, op grond van de nieuwe wet m.i. toch als onrechtmatig worden beschouwd, m.n.:

  • Indien het de opdrachtgever nagenoeg iedere mogelijkheid ontneemt om zijn schuldvordering in rechte te eisen. Een beding is op grond van de nieuwe wet immers onrechtmatig indien dit beding ertoe strekt de andere partij, in geval van betwisting, af te zien van elk middel van verhaal tegen de onderneming[6];

  • Indien het op ongepaste wijze de wettelijke rechten van de opdrachtgever beperkt in geval van volledige of gedeeltelijke wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de aannemer van een van haar contractuele verplichtingen[7].

 

[1] De redelijkheid houdt verband met de al dan niet aanvaarding van het gebrek door de opdrachtgever en met de eventuele te verwachten bewijsmoeilijkheden die zouden kunnen rijzen wanneer de opdrachtgever onredelijk lang wacht met het instellen van zijn vordering (Brussel 12 januari 2016, TBO 2016, 161). Het nuttig karakter van de termijn zou inhouden dat het oorzakelijk verband tussen de werken en de schade nog op nuttige wijze onderzocht moet kunnen worden (BURSSENS, F., Handboek Aannemingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, p. 217).

[2] Brussel 5 juni 2014, T. Aann. 2015, afl. 2, p. 213.

[3] Art. VI.83 van het Wetboek van Economisch Recht, ingevoerd bij wet van 28 februari 2013, BS 29 maart 2013 (hierna ‘ het WER’). Voor invoering van het WER was dit verbod vervat in art. 74, 15° en 75 § 1 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, BS 12 april 2010.

[4] Art. VI.84 § 1 WER.

[5] D.i. de wet van 4 april 2019 houdende wijziging van het Economisch Recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken, BS 24 mei 2019. Deze nieuwe wet treedt in werking op 1 december 2020 en zal van toepassing zijn op alle overeenkomsten, waaronder ook aannemingsovereenkomsten, gesloten, hernieuwd of gewijzigd na 1 december 2020.

[6] Art. VI.91/5 WER. Dit is een beding die behoort tot de zgn. zwarte lijst van onrechtmatige bedingen, die in principe onrechtmatig en verboden is als het in een aannemingscontract tussen ondernemingen voorkomt.

[7] Dit is een beding die behoort tot de zgn. grijze lijst van onrechtmatige bedingen, die aan de aannemer toestaat het tegenbewijs te leveren dat het kwestieuze beding niet kennelijk onevenwichtig is en derhalve niet als onrechtmatig moet worden beschouwd (Zie hierover meer uitgebreid: CLAEYS, I. en TANGHE, T., “De b2b-wet van 4 april 2019: bescherming van ondernemingen tegen onrechtmatige bedingen, misbruik van economische afhankelijkheid en oneerlijke marktpraktijken (Deel 1), RW 2019-2020, nr. 9, 323-345). De normale regels van burgerlijk recht zullen gelden om te beoordelen of er sprake is van een ongepaste beperking van de wettelijke rechten van een partij (Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht wat het misbruik van aanmerkelijke machtspositie betreft, Parl. St. Kamer 2018-2019, nr. 1451/003, 42-43).


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

  • overheidsopdrachtenrecht
  • privaat aannemingsrecht
  • vastgoedrecht
  • vastgoedfiscaliteit
  • Ik heb de privacyverklaring gelezen en aanvaard