Advocaat Tim Van Cauter

Advocaat Waregem: Tim Van Cauter


De aftrek van kosten door een vennootschap m.b.t. haar onroerend goed dat zij gratis ter beschikking stelt aan haar bedrijfsleider: een nieuw geluid in de rechtspraak?

- Januari 2020 -
Recent is er in de rechtspraak een nieuw geluid te horen omtrent de aftrek van kosten i.v.m. onroerende goederen die de vennootschap ter beschikking stelt aan haar bedrijfsleider, althans voor de onroerende goederen die in volle eigendom toebehoren aan de vennootschap.

Probleemstelling. De rechtscolleges staan zeer weigerachtig tegenover de aftrekbaarheid van kosten die vennootschappen hebben gedaan aan hun onroerende goederen die zij gratis ter beschikking stellen van hun bedrijfsleiders[1].

Een nieuw geluid? Recente arresten van de Hoven van Beroep van Gent en Antwerpen laten nu een nieuw geluid horen. Dat nieuw geluid bestaat erin dat de hoven enerzijds het beroepskarakter van deze kosten aanvaarden, althans voor de onroerende goederen die in volle eigendom toebehoren aan de vennootschap, onder verwijzing naar de later te verwachten meerwaarde bij de verkoop van dit onroerend goed.

Anderzijds wordt er op het vlak van de zogenaamde ‘bezoldigingstheorie’ een gematigder standpunt ingenomen. Deze bezoldigingstheorie houdt in dat een vennootschap de bezoldigingen aan haar bedrijfsleider, inclusief de voordelen van alle aard, slechts als beroepskost kan aftrekken indien deze kosten aan werkelijke prestaties beantwoorden[2].

Hof van Beroep van Gent van 11 december 2019. Indien de vennootschap kan aantonen dat redelijkerwijze een meerwaarde uit de realisatie van het onroerend goed te verwachten valt - in casu ging het over twee appartementen aan de Belgische kust - zijn de kosten die de vennootschap voor die onroerende goederen maakt, volgens het hof steeds als beroepskost aftrekbaar[3]. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan doordat de aankoop van het onroerend goed gepaard ging met een financiering.

Hof van Beroep van Antwerpen van 14 januari 2020. In dit arrest besluit het Hof van Beroep van Antwerpen dat de vennootschap voldoende bewijst dat tegenover de kosten i.v.m. het onroerend goed ‘werkelijk geleverde prestaties’ van haar zaakvoerder staan, indien[4]:

  • De zaakvoerder aan wie het onroerend goed ter beschikking is gesteld, in de betrokken jaren actief was als bedrijfsleider binnen de vennootschap;

  • De inkomsten die door zijn werkzaamheden binnen de vennootschap worden gegenereerd, ruimschoots de kosten verbonden aan het onroerend goed overstijgen;

  • Voor het privégebruik van het onroerend goed een voordeel alle aard werd berekend, dat ook wordt aangegeven in de personenbelasting van de zaakvoerder en effectief werd belast;

  • Uit de verslagen van de bijzondere algemene vergadering der aandeelhouders blijkt dat de vergoeding voor de zaakvoerder o.m. bestond uit de kosteloze terbeschikkingstelling van het onroerend goed;

[1] Voor een overzicht van rechtspraak zie: VAN CROMBRUGGE, S. en VAN DYCK, J. “Vennootschappen en ‘woningen’: welke kosten zijn nog aftrekbaar?”, Fiscoloog 2018, nr. 1567, p. 2. Het Hof van Cassatie heeft deze weigerachtige houding nog bevestigd in zijn arrest van 21 september 2018 (Cass. 21 september 2018, F.17.0054.N, Fiscoloog 2018, nr. 1582, p. 11).

[2] Er moet m.a.w. worden bewezen dat deze kosten de tegenprestatie vormen voor het werk dat de bedrijfsleider in de schoot van de vennootschap uitvoert (VAN DYCK, J., “Bezoldigingstheorie: het belang van een deugdelijke overeenkomst”, Fiscoloog 2019, nr. 1633, p. 6).

[3] In casu had de vennootschap o.m. middels gegevens van een kadasterwebsite aangetoond dat de waarde van één van de appartementen sedert de aanschaffing was verdubbeld (VAN CROMBRUGGE, S., “Opmerkelijke rechtspraak over kosten van vennootschap voor appartement aan zee”, Fiscoloog 2019, nr. 1636, p. 1).

[4] In casu ging het over een tandartsenvennootschap die samen met haar zaakvoerder een appartement in een kustgemeente aankocht: de vennootschap verwierf 99% van de volle eigendom, de zaakvoerder de resterende 1%. De vennootschap stelde het appartement voor privégebruik ter beschikking aan haar zaakvoerder. De vennootschap wilde de afschrijvingen en de andere kosten i.v.m. het appartement in aftrek brengen als beroepskost (BUYSSE, C., “Woning aan de kust: ook nieuw geluid in hof Antwerpen?”, Fiscoloog 2020, nr. 1650, p. 9 en Antwerpen nr. 2018/AR/1207, 14 januari 2020, Fisc. Koer. 2020, afl. 3, 57).


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

  • overheidsopdrachtenrecht
  • privaat aannemingsrecht
  • vastgoedrecht
  • vastgoedfiscaliteit
  • Ik heb de privacyverklaring gelezen en aanvaard